rekenspel: groepsbingo

te gebruiken bij:

rekenopdrachten

materiaal:

kaartjes met oplossingen oefeningen

tijdsduur:

15 minuten

spelverloop:

De klas wordt verdeeld in groepjes van 3 of 4 kinderen. Elke groep krijgt 5 of 6 kaartjes waarop cijfers staan. Deze cijfers zijn de oplossingen van de oefeningen die we gaan maken. Zorg dat er geen twee dezelfde oplossingen zijn.
Het aantal oefeningen hangt af van het aantal groepjes en het aantal kaartjes per groep. (voorbeeld: 5 groepjes met elk 5 kaartjes = 25 oefeningen, 6 groepjes met elk 5 kaartjes = 30 oefeningen.
De leerkracht noteert de eerste oefening op het bord. Elk groepje kijkt of de oplossing van de oefening op één van hun kaartjes staat. Wie de oplossing heeft, geeft het kaartje aan de leerkracht. De leerkracht geeft uitleg bij de oplossingswijze van de oefening. Daarna wordt de volgende oefening op het bord geschreven.
De groep die als eerste al zijn kaartjes kwijt is, is de winnende groep (of de groep die als laatste zijn kaartjes kwijt is, is de verliezende groep).
Deze spelvorm kan je toepassen in het begin van een herhalingsles (Wat weten de kinderen nog over de leerstof) of op het einde van een nieuwe les (Hebben de kinderen alles begrepen?).

groepsbingo

rekenspel: de meeste kaartjes

te gebruiken bij:

rekenoefeningen

materiaal:

12 papiertjes per leerling (of 1 blad papier per leerling)

tijdsduur:

15 minuten

spelverloop:

De leerkracht geeft aan elke leerling 12 kaartjes of geeft aan elke leerling een blad papier dat ze verknippen in twaalf kaartjes.
Op het bord staan 12 oefeningen. De leerkracht toont ze één voor één, de overige oefeningen zijn niet zichtbaar.
De leerkracht toont de eerste oefening. De leerlingen noteren de uitkomst op een briefje. Hier krijgen ze een vooraf bepaalde tijd voor.
Als iedereen klaar is, steken de leerlingen hun kaartje omhoog zodat de uitkomst zichtbaar is voor de leerkracht. De leerkracht loopt rond in de klas en haalt al de kaartjes op waar een foute oplossing op staat. De kinderen die de juiste oplossing hebben, leggen hun kaartje bovenaan op hun bank.
De leerkracht toont op het bord de juiste oplossing van de eerste oefening en geeft uitleg. Daarna volgt de tweede oefening waarbij de leerlingen de uitkomst op een tweede kaartje schrijven….
Als alle oefeningen zijn opgelost en besproken, kijken we welke leerling van de 12 kaartjes nog de meeste over heeft. Dit is de winnaar.
Kinderen die het moeilijker hebben met rekenen, kan je 13 of 14 kaartjes geven. (=1 of 2 fouten toegestaan)
Deze spelvorm kan je toepassen in het begin van een herhalingsles (Wat weten de kinderen nog over de leerstof) of op het einde van een nieuwe les (Hebben de kinderen alles begrepen?).

sommen

spelvorm: snoepkaartjes

te gebruiken bij:

taal, rekenen, Frans, …

materiaal:

snoepkaartjes (zie bijlage)
snoep

tijdsduur:

afhankelijk van het aantal oefeningen

spelverloop:

Deze spelvorm kan je het beste gebruiken op het einde van een les rekenen, taal of Frans. De kinderen krijgen een aantal oefeningen. (liefst een tiental, mag ook minder) (voorbeeld rekenen: 10 rijtjes met sommen, voorbeeld taal: 10 schrijfopdrachten)
Als de kinderen een oefening hebben opgelost, laten ze deze verbeteren door de leerkracht. Hebben ze de juiste oplossing, mogen ze een kaartje uit een doosje (of zakje) halen. Op dit kaartje staat een half snoepje. (zie bijlage) Wie de oefening fout oplost, krijgt geen kaartje. De leerkracht wijst de fouten aan en legt uit hoe de oefening juist op te lossen. De kinderen beginnen aan de volgende oefening.
Iedereen probeert zo veel mogelijk kaartjes te verzamelen door zo veel mogelijk opdrachten juist op te lossen. Wie twee halve snoepjes heeft, die bij elkaar passen, krijgt op het einde van de les deze snoepjes.
Je kan de snoepjes ook veranderen in halve woorden die samen een beloning vormen. (voorbeeld: kaartje ‘knik’ en  ‘ker’ = knikker, ‘kauw’ en ‘gom’ = kauwgom)

differentiatie:

Kinderen die het moeilijker hebben met de aangeboden oefeningen kan je twee kaartjes geven bij iedere juiste oplossing. Je kan ook het aantal oefeningen voor hen verminderen.

knipblad-snoepkaartjes

snoepje

rekenspel: 12-letterwoorden

te gebruiken bij:

rekenoefeningen (5°+6° leerjaar, groep 7+8)

materiaal:

werkblad met rekenoefeningen (zie bijlage)
invulrooster (zie bijlage)

tijdsduur:

30 minuten

spelverloop:

Bij dit rekenspel kan je op een leuke manier rekenoefeningen inoefenen.
De leerkracht projecteert op het bord een blad met 12 rekenoefeningen. Onder deze rekenoefeningen staan 20 oplossingen. Bij elke oplossing staat een letter. (zie bijlage kaart 1)
De kinderen lossen de oefeningen één voor één op. De letter die bij de oplossing hoort, noteren ze in het invulrooster (zie bijlage) op dezelfde plaats als de oefening.
Wanneer elke oefening is opgelost, staat in elk vakje van het invulrooster een letter. Met deze letters moeten ze een 12-letterwoord vormen. De eerste letter van het woord staat aangegeven met een pijl. Ook de richting dat het woord moet gevormd worden, is aangeduid. Wie vindt als eerste het 12-letterwoord?
Als je meerdere kaarten hebt, kan je elk kind één kaart geven met een invulrooster. Wie het woord heeft gevonden, vertelt het aan de leerkracht.(zie bijlage: oplossingen) Is de oplossing juist, krijgt het kind een nieuwe kaart en een nieuw invulrooster.
Kaarten met opdrachten kan je zelf maken. Een lijst met 12-letterwoorden vind je bij http://www.woordenraden.nl/twaalfletterwoorden/

letters

12letterwoordenspel-invulrooster

het-12-letterwoordenspel-kaart1

het-12-letterwoordenspel-kaart2

het-12-letterwoordenspel-kaart3

het-12-letterwoordenspel-kaart4

het-12-letterwoordenspel-kaart5

het-12-letterwoordenspel-kaart6

het-12-letterwoordenspel-kaart7

het-12-letterwoordenspel-kaart8

oplossing-12-letterwoordenspel-breuken

spelvorm: vier op een rij

te gebruiken bij:

Frans (woordenschat), rekenen, taalschat, verkeer, …

materiaal:

rooster vier op een rij (zie bijlage)
woorden, prentjes of cijfers op kaartjes (zie bijlage)

tijdsduur:

20 minuten

spelverloop:

Op het einde van een les kan je het spel “vier op een rij” spelen om te kijken of de kinderen de leerstof hebben begrepen. Hier volgen een aantal voorbeelden hoe je het bij de verschillende vakonderdelen kan aanpakken.
  1. rekenen: De kinderen krijgen een rooster waarop 16 verschillende cijfers staan. Deze cijfers zijn de oplossingen van de oefeningen die de leerkracht zo dadelijk opsomt. De kinderen knippen de kaartjes uit en leggen ze willekeurig op het lege rooster (zie bijlage) De leerkracht zegt de eerste oefening. De leerlingen leggen op de oplossing op hun rooster een blokje (of zetten een kruisje). De leerkracht leest de volgende oefeningen voor. De kinderen leggen telkens een blokje (kruisje) op de juiste oplossing. Wie als eerste vier blokjes op een rij heeft (horizontaal, verticaal of diagonaal) is de winnaar.
  2. taalschat: De nieuwe woordenschat wordt aangebracht en verklaard. De kinderen krijgen een rooster met 16 nieuwe woorden. Ze knippen deze uit en plaatsen ze willekeurig op het lege rooster. De leerkracht leest de eerste omschrijving van een woord. De kinderen leggen een blokje… Wie heeft het snelst vier op een rij?
  3. Verkeer: In de klas worden 16 verkeersborden besproken. (kleur, betekenis…) De kinderen krijgen een rooster met de 16 verkeersborden. Ze knippen ze uit en plaatsen ze willekeurig op het lege rooster. De leerkracht leest de betekenis van een verkeersbord voor. De kinderen leggen een blokje….
  4. Frans: De nieuwe Franse woorden worden gelezen en vertaald. De kinderen krijgen een rooster met 16 prentjes (zie bijlage), verknippen ze en leggen ze op het lege rooster. De leerkracht leest het eerste Franse woord. De kinderen leggen een blokje … Nadien eventueel met 16 Franse woorden op het lege rooster, 16 Nederlandse woorden op het rooster … (zie bijlage)

    leeg-rooster-vier-op-een-rij

  5. prentjes-vier-op-een-rij
  6. vier-op-een-rij-Franse-woorden
  7. vier-op-een-rij-Nederlandse-woorden

vier

rekenspel: één tegen allen

te gebruiken bij:

rekenen
herhalingsoefeningen rekenen

materiaal:/

tijdsduur:

30 minuten (afhankelijk van het aantal oefeningen)

spelverloop:

Bij herhalingsoefeningen wordt het onderwerp van de les kort toegelicht.  Als het onderwerp van de les nieuwe leerstof is, geeft de leerkracht eerst de instructie.
De klas wordt verdeeld in drie tot vier groepen. Elke groep kiest bij zijn groepsleden een leerling die volgens hen het beste kan rekenen. Deze leerling komt voor de klas staan. Hij/zij krijgt vooraan in de klas een tafeltje toegewezen. De overige kinderen gaan samen zitten in hun groepje.
De leerkracht geeft aan elke leerling een blad waarop de oefeningen staan (ongeveer 5 tot 10 oefeningen) of zegt de pagina’s waar de oefeningen in het rekenboek staan.
Alle kinderen lossen de oefeningen op. De groepsleden mogen elkaar helpen bij het oplossen van de oefeningen. Ze mogen bij het helpen de oplossing niet voorzeggen. De kinderen die vooraan in de klas elk aan een apart tafeltje zitten, (de rekensterke leerlingen) moeten de oefeningen alleen oplossen.
Na een vooraf bepaalde tijd worden de oefeningen klassikaal opgelost op het bord. Na elke oefening vraagt de leerkracht wie de juiste oplossing had. De kinderen die in een groepje zitten, krijgen één punt bij de juiste oplossing. De kinderen die vooraan in de klas zitten krijgen per juiste oplossing evenveel punten als er groepsleden zijn. (voorbeeld: groep 1 bestaat uit 4 kinderen waarvan 3 kinderen de eerste oefening juist hadden = 3 punten, de rekensterke leerling van groep 1, die vooraan zit, heeft ook de juiste oplossing en krijgt 4 punten.)
Wie heeft op het einde de meeste punten? De rekensterke leerling die alleen de oefeningen heeft opgelost of het groepje dat mekaar mocht helpen?

1

taalspel Frans: nieuwe tekst, nieuwe woorden

te gebruiken bij:

Frans

materiaal:

lijst nieuwe woorden

tijdsduur:

15 minuten

spelverloop:

De leerkracht toont de nieuwe Franse tekst op het bord. Deze tekst wordt een aantal maal door de leerkracht luidop gelezen.
Naast de tekst plaatst de leerkracht de nieuwe woordenschat. De letters van de woorden staan door elkaar, het lidwoord staat er bij. (voorbeeld: un ycrona = un crayon, une gpae = une page) (zie bijlage)
De kinderen proberen de nieuwe woorden te zoeken in de tekst. (de rechterkolom is bedekt… zie bijlage) Ze schrijven de nieuwe woorden juist in hun kladschrift, ze worden in een rijtje onder elkaar geschreven. Als iedereen de woorden heeft gevonden, toont de leerkracht de woorden op het bord. Hij onderlijnt ze in de tekst.
De leerlingen proberen de woorden te verklaren door de betekenis af te leiden uit de context. Ze noteren de verklaring van elk woord naast het Franse woord in hun kladschrift. Als iedereen klaar is, toont de leerkracht de verklaring van elk Frans woord. (de leerkracht toont de rechterkolom… zie bijlage)
De tekst wordt nogmaals gelezen. Elke zin wordt vertaald naar het Nederlands met behulp van het lijstje in hun kladschrift of het lijstje op het bord.

frans-tekst-en-woorden

frans

spelvorm Frans: dobbelsteen met opdrachten

te gebruiken bij:

Frans

materiaal:

dobbelstenen (zie bijlage)
woordenboeken Frans-Nederlands (1 per leerling)

tijdsduur:

30 minuten

spelverloop:

De kinderen gaan per twee zitten. Ze krijgen elk een blad waarop een dobbelsteen getekend staat. (zie bijlage) Op de dobbelsteen staan opdrachten in het Frans. De twee dobbelstenen bevatten verschillende opdrachten.
Elke leerling krijgt gedurende 15 minuten een woordenboek Frans – Nederlands. Dit kunnen ze gebruiken om woorden die op hun dobbelsteen staan, op te zoeken.  Elke leerling probeert te achterhalen wat de opdrachten zijn op de eigen dobbelsteen. Na 15 minuten worden de woordenboeken terug opgehaald.
De kinderen maken de dobbelsteen door te knippen, te plooien en te plakken.
De kinderen zitten per twee en hebben elk een verschillende dobbelsteen. Leerling 1 werpt met zijn dobbelsteen. Leerling 2 leest de opdracht die op de dobbelsteen staat en voert de opdracht uit. (voorbeeld: Ouvre la fenêtre … de leerling opent het raam.) Werd de opdracht juist uitgevoerd, krijgt leerling 2 een punt.  Werd de opdracht fout uitgevoerd of weet leerling 2 niet wat de opdracht betekent, dan zegt leerling 1 welke de opdracht was.
Daarna gooit leerling 2 met zijn dobbelsteen  en voert leerling 1 de opdracht uit.
Elke leerling mag 5 maal (of meer) met zijn dobbelsteen gooien en ook 5 maal een opdracht oplossen. Wie heeft de meeste opdrachten kunnen uitvoeren?
Opdrachten in het Frans kan je inoefenen op de volgende websites:
http://www.learnalberta.ca/content/flbla/html/scenarios/scenario4/index.html?scenario=3&group=4&activity=7&totalactivities=19
http://www.learnalberta.ca/content/flbla/html/scenarios/scenario4/index.html?scenario=3&group=4&activity=8&totalactivities=19
http://www.learnalberta.ca/content/flbla/html/scenarios/scenario4/index.html?scenario=3&group=4&activity=5&totalactivities=19

dobbelsteen1

dobbelsteen2

dobbelsteen